Probleemstelling

De prevalentie van roken bij psychiatrische patiënten is twee tot driemaal hoger dan in de algemene populatie.  Binnen psychiatrische instellingen en diensten wordt het aantal rokers gemiddeld op 70% geschat!  Voor neurotische stoornissen vinden we een prevalentie van 40% en tot 80% bij de psychotische stoornissen.

Dit betekent dat er meer tabaksgerelateerde aandoeningen voorkomen bij deze patiënten en dat er een hogere mortaliteit ten gevolge van roken geobserveerd wordt.  Eveneens bestaat er een grotere blootstelling aan omgevingsrook binnen de psychiatrische instellingen en diensten; dit zowel voor personeel als voor patiënten.  Bovendien weten we uit de literatuur dat patiënten die roken, meer psychiatrische symptomen vertonen dan patiënten die niet roken.  Er bestaat eveneens een belangrijke interactie tussen psychofarmaca en roken waarbij rokers vaak een hogere dosis nodig hebben dan niet-rokers.

Rookbeleid in psychiatrische instellingen en diensten is vaak gebaseerd op mythen die vertellen dat patiënten niet willen en kunnen stoppen met roken; dat hun problematiek verergert na rookstop en dat de implementatie van een optimaal rookvrije beleid onmogelijk is binnen psychiatrische instellingen en diensten.  Nicotineafhankelijkheid wordt er vaak stiefmoederlijk behandeld.

Dit is onterecht, want psychiatrische patiënten zijn wel gemotiveerd om te stoppen met roken.  De rookstopratio ligt er weliswaar lager dan in de algemene populatie.  Desalniettemin slaagt 1/3 erin om effectief te stoppen.  Psychiatrische symptomen hoeven daarbij niet noodzakelijk toe te nemen.  Ervaringen op het werkveld tonen aan dat een rookvrij beleid wel degelijk mogelijk is binnen psychiatrie!