Infectie

Een infectie met tuberculose loop je niet zomaar op. Je wordt geïnfecteerd door het inademen van de ziektekiemen.

Een persoon met een besmettelijke longtuberculose brengt bacteriën in de lucht via hoesten, praten, lachen, niezen. De bacteriën kunnen in kleine, donkere, afgesloten ruimtes enkele dagen in leven blijven.

Een goede ventilatie en het binnenlaten van veel zonlicht (UV-stralen) zullen de bacteriën snel uit de lucht verwijderen. Besmetting in de open lucht is daarom onwaarschijnlijk.

Wanneer je bacteriën inademt, zal het eigen lichaam proberen deze af te weren via slijm en trilhaartjes in de longen. In 50% van de gevallen lukt dit en worden de bacteriën opnieuw uitgestoten. Het risico op besmetting wordt onder meer beïnvloedt door de mate van besmettelijkheid van de zieke, de frequentie van contact en de eigen weerstand.

Er is dus 50% kans dat de ingeademde bacteriën de weg naar de longen vinden en zich in de kleine longblaasjes nestelen. Daar vermenigvuldigen ze zich en veroorzaken een lokale ontstekingsreactie. Dit noemen we infectie.

In de meerderheid van de gevallen (90%) geeft een infectie geen ziekteverschijnselen. De bacteriën blijven latent of slapend aanwezig in de longen en er ontstaat een soort balans tussen de bacteriën en het eigen immuunsysteem. Het lichaam houdt de bacteriën onder controle. De persoon zelf merkt hier niets van en heeft dan ook geen klachten of symptomen.

Iemand die besmet is maar niet ziek, kan nooit iemand anders besmetten. De tuberculinehuidtest zal dan positief  zijn en de longfoto normaal. Vanaf dat moment spreken we van een latente tuberculose-infectie (LTBI).

Slechts 10% van de personen die geïnfecteerd worden met tuberkelbacteriën, worden ooit ziek.